Kaantjes

Kaantjes komen uit het zachte niervet van het varken.

Over kaantjes bestaan nogal eens misverstanden. De naam wordt– ten onrechte – vaak gebruikt als verzamelnaam voor alle soorten uitgebakken spekjes zoals de bekende spekblokjes uit de supermarkt (lardons). Echte kaantjes zijn gemaakt van reuzel. Reuzel (ook wel niervet of smout genoemd) is afkomstig uit de buik van het varken. Het is zacht en zeer olierijk vet dat de nieren omsloten houdt. Door niervet langzaam te laten smelten, splitst het vet zich in vloeibaar vet en drijvende, niet-smeltbare vetdeeltjes die kaantjes heten.
Ook van de zachte delen van het rugvet – het zachte en olierijke deel bij de bil– kun je op dezelfde wijze ‘kaantjes’ maken, hoewel die naam dus eigenlijk is gereserveerd voor uitgebakken niervet.
Na het uitbakken, resteren goudbruine deeltjes vet die krokant zijn van buiten en zacht van binnen. Hoe langer je uitbakt hoe harder de kaantjes worden (tot er geen olie meer in zit). Het is belangrijk dat de temperatuur niet te hoog oploopt anders verbrandt het vet. De pan mag niet walmen (dus een temperatuur onder de 180º C). Door het niervet eerst in kleine stukjes te snijden of grof te malen (14 millimeter plaat) laat het vet beter olie los. Gebruik een zeef om de drijvende kaantjes uit het gesmolten vet te halen. Uitgelekte kaantjes breng je op smaak brengen met peper en zout.
Kaantjes zijn lekker door de stamppot (lekker krokant), door een salade of voor op brood. Ook geschikt om door de bloedworst te doen.

 

Kaantjes zit hier

Kaantjes